Het bloedgroepdieet: een wetenschappelijke en praktische beschouwing
C.J. Hoffman, arts
Inleiding
Uit Amerika is de voedingsstrategie overgewaaid, die inmiddels veel aanhang heeft: het "bloedgroepdieet". Welke voedingsmiddelen goed of niet goed bij iemand passen, is volgens deze methode afhankelijk van de bloedgroep. Deze relatie gaat zo ver dat ook het ontstaan van ziekte er door kan worden verklaard. Het dieet is ontwikkeld door de Amerikaanse natuurarts Peter D'Adamo en is gepubliceerd in het boek "Eat Right 4 your Type". Hij bouwt onder meer voort op het feit dat sommige mensen op een bepaald dieet gunstig reageren en andere mensen niet; een gegeven dat eigenlijk nooit goed te verklaren is geweest. D'Adamo verklaart het aan de hand van bloedgroepen. Hij borduurt ook voort op het in de geneeskunde bekende fenomeen dat bepaalde ziekten meer vóórkomen bij de ene bloedgroep dan bij de andere. Bij ieder nieuw dieet rijst de vraag of het om weer een nieuwe rage gaat of dat er een degelijke theoretische achtergrond is. Zeker in een tijd waarin steeds duidelijker wordt dat de rol van voeding van essentieel belang is bij het behoud van gezondheid, hoort elke nieuwe visie aan een nauwgezette inspectie te worden onderworpen. Hier gaat het over de wetenschappelijke pijlers van deze nieuwe voedingsstrategie. Ook wordt aandacht besteed aan de vraag of er geen tekorten ontstaan als men volgens deze methode gaat eten.
Het bloedgroep-dieet
Voor het eerst gaat het niet om een algemeen dieet voor de totale populatie, maar wordt onderscheid gemaakt tussen groepen mensen. De kern van de achterliggende theorie wordt gevormd door de begrippen 'bloedgroep', 'immunologische reacties' (antigen- en antistof-relaties) en 'lectines'. Welke voeding door iemand goed of juist niet goed wordt verdragen hangt af van de immunologische reactie op die voeding en die immunologische reactie verschilt per bloedgroep. Het al dan niet optreden van immunologische reacties is ten eerste afhankelijk van bepaalde bestanddelen van voedingsmiddelen, de lectines: die leiden qualitate qua tot immunologische reacties, die per bloedgroep (kunnen) verschillen. Daarnaast blijkt de bloed-groep-antistof immunologische reacties tegen voeding op te kunnen wekken. De verschillen in immunologische respons van de bloedgroepen worden antropologisch verklaard, terwijl voor de effecten van de lectines wordt teruggegrepen op de plantkunde. In het navolgende zullen deze centrale noties aan een nadere beschouwing worden onderworpen.
Bloedgroepen: de antropologie
Verschillen tussen mensen manifesteren zich onder meer in de bloedgroepen en de bloedgroep bepaalt uiteindelijk hoe voeding verdragen wordt. Daarbij wordt groot belang gehecht aan het immunologische aspect. Het fenotype kent zijn eigen geaardheid op grond van eeuwenlang geleden verworven eigenschappen. Het verschil in eigenschappen kan antropologisch verklaard worden. De fysische antropologie, tegenwoordig ook vaak antropobiologie genoemd, onderzoekt de mens als product van de biologische erfelijkheid. Fysische antropologie is erop gericht de menselijke evolutie in kaart te brengen en onderzoekt bijvoorbeeld hoe de mens zich aanpast aan de natuurlijke omgeving aan de hand van harde wetenschappelijke gegevens. Fysische antropologen als Boyd (1950) en Mourant (1984) hebben getracht met behulp van de analyse van bloedgroepen inzicht te verkrijgen in de menselijke evolutie. De eerste poging tot het beschrijven van raciale en nationale karakteristieken in relatie tot bloedgroepen werd gedaan door het echtpaar Hirszfeld in 1918. Daarna werden in de jaren 20 verdere pogingen gedaan tot raciale classificatie van de mensheid, gebaseerd op de bloedgroepen. Door het vaststellen van de bloedgroep van overblijfselen uit opgravingen van oude graven hebben antropologen informatie verkregen over de locale geschiedenis van bepaalde bevolkingsgroepen, hun trekroutes, hun onderling huwen en de onderlinge verschillen.
Volgens D'Adamo worden, als het gaat om het reageren op voeding, de verschillen niet bepaald door ras, geslacht of cultuur, maar door de bloedgroepen. De mens is zich vanaf de vroege oudheid gaan verspreiden over de aarde. Door de eeuwen heen is de mens gedwongen geweest zich aan te passen, ook in immunologische zin, aan veranderende geografische en klimatologische omstandigheden en aan veranderende voedselmogelijkheden. Mutanten hebben zich het beste geadapteerd en al doende zijn de vier bloedgroepen ontstaan die we nu kennen. Grofweg zijn de bloedgroepen als volgt te kenschetsen: bloedgroep 0 zijn de 'jagers-verzamelaars', bloedgroep A de 'landbouwers', bloedgroep B de 'nomaden' en bloedgroep AB is de 'moderne' bloedgroep (het ‘mysterie’). De door ons onderzochte bronnen illustreren deze ontwikkelingen; we noemen met name de hoeken van Mourant.
Bloedgroepen en ziekte
Al tijdens de universitaire opleiding leren studenten dat bepaalde ziekten prevaleren bij bepaalde bloedgroepen. Zo blijken maagziekten, met name het maagcarcinoom, vooral bij bloedgroep A voor te komen en auto-immuunziekten voornamelijk hij bloedgroep 0. Het gerefereerde boek van Mourant is een geweldige (antropologische) informatiebron om te zien hoe het ziektepatroon per bloedgroep afwijkt. Kortheidshalve kan dus worden volstaan met de notie dat de verdeling van de pathologie over de bloedgroepen sterk verschilt, anders gezegd: dat er bloedgroep-specifieke ziekten zijn. Recente literatuur maakt melding van de verdeling van de bloedgroep-fenotypen bij urineweginfecties bij kinderen, van de immunologische karakteristieken bij mongoloïde volkeren en met name van de relatie tussen de zogenaamde Duffybloedgroepen en de vatbaarheid voor malaria en andere ziekten, waarbij wordt geconcludeerd dat juist het fenotype van de erytrocyt een veranderd reactiepatroon in verschillende orgaansystemen tot gevolg heeft. Dat hier de Duffy-bloedgroepen worden genoemd is niet omdat ze belangrijker zijn dan het ABO-systeem, maar omdat er kennelijk meer wetenschappelijke belangstelling is waar het gaat om een van de norm afwijkende zaak. Duffy is de ontdekker van het zogenaamde Duffy-antigen: een expressie van een gen dat onder invloed van malariaparasiet is gemuteerd. Het is van klinische betekenis omdat het transfusiereacties kan geven buiten het AB0-systeem om. Voor deze presentatie is van belang dat mutaties in de hemoglobine kennelijk geschieden onder invloed van veranderende externe omstandigheden én zich weerspiegelen in het totale functioneren van het organisme (secretors en non-secretors, hier wordt later op teruggekomen). Opnieuw een antropologisch `bewijs' dat mutaties in de bloedgroepen onder invloed van externe omstandigheden zijn ontstaan.
Bloedgroepen en immunologie
Om de link te kunnen leggen tussen bloedgroepen en voeding is niet alleen kennis nodig van de antropologie maar vooral ook kennis van de immunologie.
De bloedgroep die iemand heeft is natuurlijk een weerslag van zijn genetische code. Naar analogie van de bloedgroep zullen de antigene structuren in het lichaam zijn gebaseerd op het genotype. Iedereen weet dat de bloedgroepen door Landsteiner zijn ontdekt en dat de bloedtransfusiereactie ten grondslag ligt aan de ontrafeling van het mysterie van de bloedgroepen. Immunologisch vinden we daarbij een merkwaardig fenomeen. Bij bloedgroep A, dus antigen A, vinden we vanaf de geboorte antistoffen tegen bloedgroep B. Bij bloedgroep B vinden we antistoffen tegen A. Bij bloedgroep 0 vinden we antistoffen tegen zowel antigen A als antigen B terwijl bloedgroep AB vanzelfsprekend geen antistoffen produceert. Het merkwaardige van die antistoffen is dat ze van de geboorte af aanwezig zijn en dat ze niet zijn ontstaan naar aanleiding van een doorgemaakt contact ná de geboorte. De bloedgroepen en de antistoffen zijn dus intrinsiek in het systeem aanwezig en vormen als zodanig, zoals elke genetische code, het product van evolutie. Om nu de immunologische koppeling met voeding te leggen is het nodig om een antistof-antigenverband te leggen tussen voeding en bloedgroepen. Daartoe komen de lectines ten tonele.
Lectines
Wie de door D'Adamo aangegeven wetenschappelijke literatuur opvraagt en vooral wie ook nog verder onderzoek doet naar lectines ontdekt een nieuwe wereld die voornamelijk in andere disciplines aanwezig is: we spreken dan vooral over de plantkunde. Daar blijkt een uitgebreide kennis te zijn van de zogenaamde glycobiologie en glycobiochemie, vakgebieden die zich bezighouden met verbindingen tussen eiwitten en koolhydraten. Zowel in de literatuur als op internet is ongelooflijk veel informatie te vinden over lectines. De verschillende lectines hebben elk hun eigen voorkeur voor een specifiek aminosuiker. Bij het aangaan van die verbinding ontstaat agglutinatie. Lectines werden meer dan 100 jaar geleden in planten ontdekt. Ze bleken o.a. de eigenschap te hebben om menselijke rode bloedcellen te agglutineren. De lectines bleken zelfs zo specifiek dat ze juist werden gebruikt om het onderscheid te maken tussen de bloedgroepen A, B, AB en 0.
De plantenwereld, dus ook groente, is de belangrijkste bron van lectines (maar ze worden ook gevonden bij bacteriën en bij diersoorten, vooral bij vissen). In het plantenrijk worden ze onder meer bij de leguminosae gevonden, vooral in de cotyledones van de zaden en in de wortels. In de plantkunde wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar het verschijnsel lectine en vooral naar de functie die ze hebben voor de planten. Planten leven in een soort symbiose met hun omgeving. Planten gebruiken lectines voor verschillende doeleinden. Zo worden ze ingezet om pollendragende insecten aan te trekken, maar ook om zich te beschermen tegen vijandige invloeden. Het is bijvoorbeeld aardig te weten dat planten bepaalde lectines verhogen als ze worden aangevreten door herbivoren. De lectines kunnen voor zoogdieren toxisch en zelfs letaal zijn. Een illustratie van het toxisch vermogen van lectines is ook een experiment met genetische modificatie. Het ging om aardappelen die zo waren gemanipuleerd dat ze een toxine, GNA-lectine, gingen produceren waardoor ze resistent werden tegen aardappelluis. Een onvermoed effect is dat lieveheersbeestjes, de natuurlijke vijand van de luizen én een echelon hoger in de voedselketen, te lijden hebben onder deze verandering. Uit onderzoek is gebleken dat als ze gevoed worden met luizen die gegeten hadden van de genetisch gemodificeerde aardappelen, de levensduur van de vrouwelijke lieveheersbeestjes met de helft afnam en dat de voortplanting ernstig gestoord raakte. De best bestudeerde hypothese over de functie van lectines betreft die gevonden in de zogenaamde leguminosae, de peuldragers. Daardoor worden de met hen in symbiose levende stikstofleverende bacteriën aangetrokken. In de veterinaire geneeskunde is bekend dat lectines zich aan de darmwand hechten en daarmee bacteriën de kans geven de darmwand en het lichaam te invaderen. Dat is ook de reden dat beesten bepaalde planten niet eten.
In de geneeskunde is het fenomeen 'anafylactische shock' bekend: bloedvergiftiging door lectines. Alsof er direct een vreemd eiwit in de bloedbaan is geïnjecteerd. Geheime diensten maken graag gebruik van dit fenomeen, waarbij vooral ricine bekend is; maar waarschijnlijk worden ook nog andere lectines gebruikt, waarvan de kennis echter zorgvuldig geheim wordt gehouden.
De menselijk celwand bevat zoals bekend aminosuikerstructuren. Als zo'n lectine een verbinding aangaat met de suikermoleculen of de glycoproteïnen in de celwand, kan de fysiologie van de membranen zo veranderen dat er agglutinatie, mitose of andere biochemische veranderingen in de cel optreden. Inmiddels is duidelijk dat lectines ook reageren met andere cellen dan de rode bloedcellen, onder meer met lymfocyten en spermatozoën.
Absorptie van lectines
Over de aanwezigheid van lectines in voedsel bestaat geen wetenschappelijke onzekerheid. Het meest tot de verbeelding sprekende zijn het abrine uit de Abrus precatorius (één erwt kan dodelijk zijn) en ricine uit de Castorboon (waarbij de consumptie van veel zaad letaal kan zijn). Ook van andere voedingsmiddelen is bekend dat ze lectines bevatten. De twijfel die bestaat over de al dan niet schadelijke invloed ervan spitst zich toe op de vraag of lectines wel of niet worden opgenomen via het maag-darmkanaal. De absorptie van lectines wordt wel eens gebagatelliseerd maar juist plantenlectines worden gemakkelijk in de maag opgenomen omdat ze relatief klein en zuurresistent zijn. De volgende klinische voorbeelden mogen illustreren dat niet alles uit de voeding wordt verteerd en dat bestanddelen ervan wel degelijk aan het spijsverteringsproces ontsnappen en in de bloedbaan terecht kunnen komen: glutenovergevoeligheid, favisme en Quincke's oedeem. Lectines spelen een rol bij deze aandoeningen. Brostoff schrijft bijvoorbeeld in 1989 over coeliakie dat de actuele theorie breed geaccepteerd is dat één of meer lectines onderdeel uitmaken van gluten en dat die lectines zich binden aan koolhydraatmarkers aan de darmwand. De daarop volgende afweerreactie is zo heftig dat de darmwand beschadigd raakt, waardoor de darmen niet meer goed kunnen functioneren. Overigens hebben lectines niet alleen een specifieke werking op het maag-darmkanaal of perifeer. Interessant in dit verband is ook de kennis dat lectines interfereren met cholecystokinine, waardoor de spijsvertering per se negatief wordt beïnvloed.
Geneeskundige aspecten van lectines
Er is voldoende literatuur aanwezig om het verband tussen lectines uit het voedsel en ziekte te ondersteunen. Vooral in het artikel van Freed'', 'Dietary lectins and disease', wordt glashelder aangetoond dat lectines een ziekmakend effect kunnen hebben. Ten overvloede zij vermeld dat om een immunologisch effect te sorteren de concentratie slechts uiterst gering hoeft te zijn.
Lectines kunnen zitten in rauw gegeten voedsel. Er zijn lectines die door voedselbereiding vernietigd worden en er zijn ook lectines die door verhitting juist sterker gaan werken. In het algemeen blijkt zo'n vijf procent van de aangeboden lectines uiteindelijk in het bloed opgenomen te worden. Freed onderscheidt bovendien de orgaanspecificiteit van de verschillende lectines.
Verrassend genoeg blijken de wetenschappelijke inzichten die ontstaan door het onderzoek naar lectines ook bruikbaar in verband met preventie van bepaalde ziekten en zelfs voor therapie. Zo kan bijvoorbeeld de hechting van de Helicobacter pylori worden verhinderd door Aloë Vera. Lectines kunnen dus een rol spelen bij zowel het ontstaan van ziekten bij de preventie als bij de therapie. De overige bestudeerde literatuur is een onderstreping van het reeds vermelde.
Secretor en Non-Secretor
D’Adamo legt in het boek “Eat right 4 your type” het verband tussen de klassieke bloedgroepen en voeding. Met het boek “Live right 4 your type” gaat hij een stapje verder en diept hij dit verder uit met de secretor/non-secretor status.
Men kan secretor (Se) zijn of non-secretor (se). Dit is onafhankelijk van de bloedgroep. Een secretor brengt zijn bloedgroep-antigenen in de lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking, zoals in speeksel, slijmwand van het darmkanaal, ademhalingswegen en sinussen. Een non-secretor daarentegen brengt zijn bloedgroepantigenen weinig of helemaal niet in deze lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking.
Vele stofwisselingskenmerken zoals koolhydraat-intolerantie en immuunaandoeningen zijn genetisch bepaald en verbonden met de secretor-status. Het weten van de secretor-status maakt het mogelijk dieetverfijningen aan te brengen, effectiever gebruik te maken van voedingssupplementen, zich bewuster te worden van en kennis te vergroten over die ziekten en stofwisselingsfuncties waar men gevoelig voor is gezien de secretor-status.
Voor- en nadelen: de secretor voorsprong
Elke bloedgroep heeft zijn karakteristieke sterke en zwakke eigenschappen. Dit blijkt echter niet op te gaan voor het secretor-gen. In het algemeen kan gezegd worden dat non-secretors een potentieel gezondheidsnadeel hebben. Secretors zijn op zeer basaal niveau in staat het bloedgroepantigen in de lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking te brengen, wat extra bescherming biedt tegen de omgeving die bevolkt wordt door micro-organismen en lectines. Non-secretors hebben deze bescherming niet.
De verhouding in de populatie van de VS tussen secretor en non-secretor is 20-80%.
Voorheen kon de secretor-status alleen bepaald worden door gebruik te maken van geavanceerde forensische technieken. Tegenwoordig is dit mogelijk met een eenvoudige speekseltest.
Genotype
Wat is een Genotype?
We zijn zowel geïnteresseerd in onze genen als in hun reactie op de omgeving. Dat totaalpakket wordt een Genotype genoemd. Het Genotype is bepalend voor schijnbaar triviale details als de vorm van de tanden, de lengte van de benen en het patroon van vingerafdrukken. Belangrijker is dat het bepaalt welke voedingsmiddelen helpen af te vallen en vitaal te worden – en voor welke aandoeningen men het meest vatbaar is. D’Adamo heeft Genotypen geïdentificeerd: de Jager (Hunter), de Verzamelaar (Gatherer), de Leraar (Teacher), de Ontdekker (Explorer), de Krijger (Warrior) en de Nomade (Nomad).
Genotype en bloedgroep: wat is het verschil?
Volgens D’Adamo zijn Genotypen een verfijndere, meer complete en accurate manier om het menselijk lichaam te doorgronden dan bloedgroepen alleen. De bloedgroep wordt tenslotte bepaald door slechts één gen – één van de circa 30.000!
Ten eerste weerspiegelen Genotypen de activiteit van veel andere genen, niet alleen van het gen dat de bloedgroep bepaalt. De bloedgroep is een belangrijk aspect van je Genotype, maar niet het enige belangrijke. Ten tweede weerspiegelen Genotypen de interactie tussen de genen en de omgeving. Deze bredere basis van informatie maakt het mogelijk gedetailleerdere en flexibelere diëten op te stellen, die nog beter zijn afgestemd op persoonlijke biologie en temperament.
Connectie voeding - bloedgroepen
Er is nu een aantal aspecten duidelijk geworden. De bloedgroepen zijn ontstaan onder invloed van veranderende uitwendige omstandigheden die de zich evoluerende mens noopten zich aan te passen in de zin van voeding en gedrag. Deze aanpassing betrof ook de immunologische respons. Verder kan op grond van de bloedgroepverdeling iets gezegd worden over de prevalentie van ziekten. Ook is duidelijk dat 'de bloedgroep' een fenotypische weerspiegeling is van het genotype dat ook op andere manieren tot expressie kan komen en tot slot is evident dat lectines agglutinatie tot gevolg kunnen hebben, wat schadelijk is.
Nu is het moment om de koppeling tussen bloedgroep en voeding te leggen. Zoals gezegd verschillen de bloedgroepen qua antigene structuur. Bloedgroep A heeft antigen-A en bloedgroep B antigen-B, bloedgroep 0 heeft geen van beide antigenen en bloedgroep AB heeft ze allebei. Het verschil tussen de bloedgroepen is slechts één aminosuiker groot: bloedgroep A heeft het aminosuiker Nacetylgalactosamine en B heeft D-galactosamine (AB heeft ze allebei). Dan zijn er de al eerder gememoreerde antistoffen: bloedgroep A heeft aangeboren anti-B, bloedgroep B heeft aangeboren anti-A, bloedgroep AB heeft geen antistoffen en bloedgroep 0 heeft anti-A en anti-B. Die antistoffen zijn niet gericht tegen de andere bloedgroep als zodanig, maar uitsluitend tegen de eerder genoemde aminosuikers.
Nu zijn er twee aspecten. Allereerst zijn er lectines die het gemunt hebben op aminosuikers die sterk gelijken op de aminosuikers die de bloedgroep bepalen. Hoewel die lectines dus eigenlijk niet zijn gericht op enigerlei humane structuur, grijpen ze wel degelijk aan op de aminosuikers die de bloedgroep bepalen (kruisimmuniteit). Het effect is die van een antistofreactie: agglutinatie. Daarnaast is nog een andere immuunrespons mogelijk. Als voeding aminosuikers bevat die sterk lijken op het bloedgroepantigen van de andere bloedgroep, vindt eveneens een afweerreactie plaats. Melk heeft bijvoorbeeld eigenschappen waardoor het lijkt op antigen-B. Als iemand met bloedgroep A melk drinkt zal zijn anti-B onmiddellijk tot een immunologische reactie leiden.
De immunologische respons op voedingsmiddelen is dus in twee opzichten bepaald door de bloedgroep: enerzijds door de bloedgroep-antigenen, die doelwit zijn van specifieke lectines, anderzijds door de bloedgroep-antistoffen, die een immuunreactie geven op specifieke aminosuikers in de voeding. Beide immunologische reacties hebben agglutinatie of andere celveranderingen tot gevolg.
De praktijk
Het bloedgroepdieet is gezien het bovenstaande wetenschappelijk behoorlijk onderbouwd. Er zijn genoeg noties voorhanden om een verklaring te geven waarom een voedingsstrategie die op de bloedgroep is geënt succesvol kan zijn. In de praktijk is dat inmiddels voldoende gebleken; er blijkt bij chronische aandoeningen een sterk 'disease modifying action' van uit te gaan.
De ge- en verboden van het dieet zijn deels geformuleerd vanuit de kennis over de agglutinerende effecten van lectines en over de bloedgroepspecifieke antistoffen. Binnen het dieet zijn ook niet-immunologische aspecten, zoals vatbaarheid voor schimmels, de per bloedgroep verschillende maagzuurproductie en de bereidingswijze van de voeding, in de richtlijnen opgenomen. Opmerkelijk is dat de bevindingen in veel opzichten correleren met de empirie van twee generaties natuurartsen.
Vanuit alle noties tezamen is een bloedgroepspecifieke voedingsstrategie verwezenlijkt. Dit resulteert in tabellen met per bloedgroep en per voedingsmiddel een kwalificatie: 'Heilzaam', 'Neutraal' of te 'Vermijden'. Een voedingsmiddel werkt heilzaam, als het bij die bloedgroep niet leidt tot agglutinatie, als het geen antistofreactie oproept tegen de andere bloedgroep, als het bescherming geeft tegen ziekten waarvan bekend is dat ze bij die bloedgroep vaak voorkomen, als het een enzym bevat wat bewezen positief reageert met het antigen van die bloedgroep en tot slot als het niet interfereert met het metabolisme.
Een voedingsmiddel kan beter worden gemeden als het een lectine of andere eigenschap heeft die slecht met de bloedgroep reageert, als de relatieve zuur-base verhouding niet adequaat is om het voedingsmiddel te metaboliseren en als er een grote kans is op de aanwezigheid van parasieten of schimmels.
Het aardige van deze strategie is dat het individueel is en dat andere strenge maatregelen, zoals bij een candidawerend dieet, pas op de tweede plaats komen. Het aspect 'Heilzaam' is ook uniek. Pure geestelijke en lichamelijke verwennerij als je iets lekker vindt en het ook nog goed voor je is.
Gewichtsbeheersing
Bij een nieuw dieet wordt vaak de nadruk gelegd op het fantastische gewichtsreducerende resultaat ervan. Bij het bloedgroepdieet ligt het anders, gewichtsbeheersing is zeker niet het primaire doel. Maar aangezien de bloedgroep ook de effectiviteit van het metabolisme bepaalt heeft het volgen van het bloedgroepdieet een normalisering van de stofwisseling tot gevolg. In de praktijk zien we dat de mensen uiterst enthousiast zijn over het gewichtsverlies indien ze adipeus zijn. Bij mensen met normaal gewicht treedt geen ongewenste gewichtsvermindering op.