Health Maintenance EuropeGezondheid in balans! illustratie vrouw illustratie man

WebWinkel

Omroep Max

U bevindt zich nu in:
ABNG bloedgroepdieet reader | 12 september 2008

 Webwinkel
 Winkelwagen
 Voorwaarden

  Lees de tekst van vorige uitzendingen hier

© HME 2010
Laatste update: 30-09-08

Disclaimer, klik hier

ABNG bloedgroepdieet reader | 12 september 2008

Het bloedgroepdieet: een wetenschappelijke en praktische beschouwing

 

 

 

 

C.J. Hoffman, arts

 

 

 

 

Inleiding
Uit Amerika is de voedingsstrategie overgewaaid, die inmiddels veel aanhang heeft: het "bloedgroepdieet". Welke voedingsmiddelen goed of niet goed bij iemand passen, is volgens deze methode afhankelijk van de bloedgroep. Deze relatie gaat zo ver dat ook het ontstaan van ziekte er door kan worden verklaard. Het dieet is ontwikkeld door de Amerikaanse natuurarts Peter D'Adamo en is gepubliceerd in het boek "Eat Right 4 your Type". Hij bouwt onder meer voort op het feit dat sommige mensen op een bepaald dieet gunstig reageren en andere mensen niet; een gegeven dat eigenlijk nooit goed te verklaren is geweest. D'Adamo verklaart het aan de hand van bloedgroepen. Hij borduurt ook voort op het in de geneeskunde bekende fenomeen dat bepaalde ziekten meer vóórkomen bij de ene bloedgroep dan bij de andere. Bij ieder nieuw dieet rijst de vraag of het om weer een nieuwe rage gaat of dat er een degelijke theoretische achtergrond is. Zeker in een tijd waarin steeds duidelijker wordt dat de rol van voeding van essentieel belang is bij het behoud van gezondheid, hoort elke nieuwe visie aan een nauwgezette inspectie te worden onderworpen. Hier gaat het over de wetenschappelijke pijlers van deze nieuwe voedings­strategie. Ook wordt aandacht besteed aan de vraag of er geen tekorten ontstaan als men volgens deze methode gaat eten.

 

 

Het bloedgroep-dieet

 

 

Voor het eerst gaat het niet om een alge­meen dieet voor de totale populatie, maar wordt onderscheid gemaakt tussen groepen mensen. De kern van de achter­liggende theorie wordt gevormd door de begrippen 'bloedgroep', 'immunolo­gische reacties' (antigen- en antistof-relaties) en 'lectines'. Welke voeding door iemand goed of juist niet goed wordt verdragen hangt af van de immunologische reactie op die voeding en die immunologische reactie verschilt per bloedgroep. Het al dan niet optreden van immunologische reacties is ten eerste afhankelijk van bepaalde bestanddelen van voedingsmiddelen, de lectines: die leiden qualitate qua tot immunologische reacties, die per bloedgroep (kunnen) verschillen. Daarnaast blijkt de bloed-groep-antistof immunologische reacties tegen voeding op te kunnen wekken. De verschillen in immunologische respons van de bloedgroepen worden antropolo­gisch verklaard, terwijl voor de effecten van de lectines wordt teruggegrepen op de plantkunde. In het navolgende zullen deze centrale noties aan een nadere beschouwing worden onderworpen.

 

 

 

 

Bloedgroepen: de antropologie

 

 

Verschillen tussen mensen manifesteren zich onder meer in de bloedgroepen en de bloedgroep bepaalt uiteindelijk hoe voe­ding verdragen wordt. Daarbij wordt groot belang gehecht aan het immuno­logische aspect. Het fenotype kent zijn eigen geaardheid op grond van eeuwen­lang geleden verworven eigenschappen. Het verschil in eigenschappen kan antro­pologisch verklaard worden. De fysische antropologie, tegenwoordig ook vaak antropobiologie genoemd, onderzoekt de mens als product van de biologische erfe­lijkheid. Fysische antropologie is erop gericht de menselijke evolutie in kaart te brengen en onderzoekt bijvoorbeeld hoe de mens zich aanpast aan de natuurlijke omgeving aan de hand van harde weten­schappelijke gegevens. Fysische antropo­logen als Boyd (1950) en Mourant (1984) hebben getracht met behulp van de analyse van bloedgroepen inzicht te verkrijgen in de menselijke evolutie. De eerste poging tot het beschrijven van ra­ciale en nationale karakteristieken in re­latie tot bloedgroepen werd gedaan door het echtpaar Hirszfeld in 1918. Daarna werden in de jaren 20 verdere pogingen gedaan tot raciale classificatie van de mensheid, geba­seerd op de bloedgroe­pen. Door het vaststellen van de bloedgroep van overblijfselen uit opgra­vingen van oude graven hebben antropologen informatie verkregen over de locale geschiede­nis van bepaalde bevolkingsgroepen, hun trekroutes, hun onderling huwen en de onderlinge verschillen.

 

 

Volgens D'Adamo worden, als het gaat om het reageren op voeding, de ver­schillen niet bepaald door ras, geslacht of cultuur, maar door de bloedgroepen. De mens is zich vanaf de vroege oudheid gaan verspreiden over de aarde. Door de eeuwen heen is de mens gedwongen geweest zich aan te passen, ook in immunologische zin, aan veranderende geografische en klimatolo­gische omstandigheden en aan verande­rende voedselmogelijkheden. Mutanten hebben zich het beste geadapteerd en al doende zijn de vier bloedgroepen ont­staan die we nu kennen. Grofweg zijn de bloedgroepen als volgt te kenschetsen: bloedgroep 0 zijn de 'jagers-verzame­laars', bloedgroep A de 'landbouwers', bloedgroep B de 'nomaden' en bloed­groep AB is de 'moderne' bloedgroep (het ‘mysterie’). De door ons onderzochte bronnen illustreren deze ontwikkelingen; we noemen met name de hoeken van Mourant.

 

 

 

 

Bloedgroepen en ziekte

 

 

Al tijdens de universitaire opleiding leren studenten dat bepaalde ziekten prevaleren bij bepaalde bloedgroepen. Zo blijken maagziekten, met name het maagcarci­noom, vooral bij bloedgroep A voor te komen en auto-immuunziekten voorname­lijk hij bloedgroep 0. Het gerefereerde boek van Mourant is een geweldige (an­tropologische) informatiebron om te zien hoe het ziektepatroon per bloedgroep af­wijkt. Kortheidshalve kan dus worden volstaan met de notie dat de verdeling van de pathologie over de bloedgroepen sterk verschilt, anders gezegd: dat er bloedgroep-specifieke ziekten zijn. Recente literatuur maakt melding van de verdeling van de bloedgroep-fenotypen bij urineweginfecties bij kinderen, van de immunologische karakteristieken bij mongoloïde volkeren en met name van de relatie tussen de zogenaamde Duffy­bloedgroepen en de vatbaarheid voor ma­laria en andere ziekten, waarbij wordt geconcludeerd dat juist het fenotype van de erytrocyt een veranderd reactiepatroon in verschillende orgaansystemen tot ge­volg heeft. Dat hier de Duffy-bloedgroe­pen worden genoemd is niet omdat ze belangrijker zijn dan het ABO-systeem, maar omdat er kennelijk meer weten­schappelijke belangstelling is waar het gaat om een van de norm afwijkende zaak. Duffy is de ontdekker van het zoge­naamde Duffy-antigen: een expressie van een gen dat onder invloed van malaria­parasiet is gemuteerd. Het is van klini­sche betekenis omdat het transfusiereac­ties kan geven buiten het AB0-systeem om. Voor deze presentatie is van belang dat mu­taties in de hemoglobine kennelijk ge­schieden onder invloed van veranderende externe omstandigheden én zich weer­spiegelen in het totale functioneren van het organisme (secretors en non-­secretors, hier wordt later op teruggekomen). Opnieuw een antropologisch `bewijs' dat mutaties in de bloedgroepen onder invloed van externe omstandighe­den zijn ontstaan.

 

 

Bloedgroepen en immunologie
Om de link te kunnen leggen tussen bloedgroepen en voeding is niet alleen kennis nodig van de antropologie maar vooral ook kennis van de immunologie.

 

 

De bloedgroep die iemand heeft is na­tuurlijk een weerslag van zijn genetische code. Naar analogie van de bloedgroep zullen de antigene structuren in het lichaam zijn gebaseerd op het genotype. Iedereen weet dat de bloedgroepen door Landsteiner zijn ontdekt en dat de bloedtransfusiereactie ten grondslag ligt aan de ontrafeling van het mysterie van de bloedgroepen. Immunologisch vin­den we daarbij een merkwaardig feno­meen. Bij bloedgroep A, dus antigen A, vinden we vanaf de geboorte antistoffen tegen bloedgroep B. Bij bloedgroep B vinden we antistoffen tegen A. Bij bloedgroep 0 vinden we antistoffen te­gen zowel antigen A als antigen B terwijl bloed­groep AB vanzelfspre­kend geen antistoffen produceert. Het merk­waardige van die antistoffen is dat ze van de geboorte af aanwezig zijn en dat ze niet zijn ont­staan naar aanleiding van een doorgemaakt contact ná de geboorte. De bloedgroepen en de antis­toffen zijn dus intrinsiek in het systeem aanwezig en vormen als zodanig, zoals elke genetische code, het product van evolutie. Om nu de immunologische koppeling met voeding te leggen is het nodig om een antistof-antigenverband te leggen tussen voeding en bloedgroepen. Daartoe komen de lectines ten tonele.

 

 

 

 

Lectines

 

 

Wie de door D'Adamo aangegeven we­tenschappelijke literatuur opvraagt en vooral wie ook nog verder onderzoek doet naar lectines ontdekt een nieuwe wereld die voornamelijk in andere disci­plines aanwezig is: we spreken dan vooral over de plantkunde. Daar blijkt een uitgebreide kennis te zijn van de zogenaamde glycobiologie en glycobiochemie, vakgebieden die zich bezighouden met verbindingen tussen eiwitten en koolhydraten. Zowel in de literatuur als op internet is ongelooflijk veel informatie te vinden over lectines. De verschil­lende lectines hebben elk hun eigen voor­keur voor een specifiek aminosuiker. Bij het aangaan van die verbinding ontstaat agglutinatie. Lectines werden meer dan 100 jaar geleden in planten ontdekt. Ze bleken o.a. de eigenschap te hebben om menselijke rode bloedcellen te agglutineren. De lectines bleken zelfs zo specifiek dat ze juist werden gebruikt om het onderscheid te maken tussen de bloedgroepen A, B, AB en 0.

 

 

De plantenwereld, dus ook groente, is de belangrijkste bron van lectines (maar ze worden ook gevonden bij bacteriën en bij diersoorten, vooral bij vissen). In het plantenrijk worden ze onder meer bij de leguminosae gevonden, vooral in de cotyledones van de zaden en in de wor­tels. In de plantkunde wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar het verschijnsel lectine en vooral naar de functie die ze hebben voor de planten. Planten leven in een soort symbiose met hun omgeving. Planten gebruiken lectines voor verschil­lende doeleinden. Zo worden ze ingezet om pollendragende insecten aan te trek­ken, maar ook om zich te beschermen tegen vijandige invloeden. Het is bijvoor­beeld aardig te weten dat planten be­paalde lectines verhogen als ze worden aangevreten door herbivoren. De lectines kunnen voor zoogdieren toxisch en zelfs letaal zijn. Een illustratie van het toxisch vermogen van lectines is ook een experiment met genetische modificatie. Het ging om aardappelen die zo waren gemanipuleerd dat ze een toxine, GNA-­lectine, gingen produceren waardoor ze resistent werden tegen aardappelluis. Een onvermoed effect is dat lieveheersbeest­jes, de natuurlijke vijand van de luizen én een echelon hoger in de voedselketen, te lijden hebben onder deze verandering. Uit onderzoek is gebleken dat als ze ge­voed worden met luizen die gegeten had­den van de genetisch gemodificeerde aardappelen, de levensduur van de vrou­welijke lieveheersbeestjes met de helft afnam en dat de voortplanting ernstig gestoord raakte. De best bestudeerde hypothese over de functie van lectines be­treft die gevonden in de zogenaamde leguminosae, de peuldragers. Daardoor worden de met hen in symbiose levende stikstofleverende bacteriën aangetrokken. In de veterinaire geneeskunde is bekend dat lectines zich aan de darmwand hechten en daarmee bacteriën de kans geven de darmwand en het lichaam te invaderen. Dat is ook de reden dat beesten bepaalde planten niet eten.

 

 

In de geneeskunde is het fenomeen 'anafylactische shock' bekend: bloedver­giftiging door lectines. Alsof er direct een vreemd eiwit in de bloedbaan is geïn­jecteerd. Geheime diensten maken graag gebruik van dit fenomeen, waarbij vooral ricine bekend is; maar waarschijnlijk worden ook nog andere lectines gebruikt, waarvan de kennis echter zorgvuldig ge­heim wordt gehouden.

 

 

De menselijk celwand bevat zoals bekend aminosuikerstructuren. Als zo'n lectine een verbinding aangaat met de suiker­moleculen of de glycoproteïnen in de celwand, kan de fysiologie van de mem­branen zo veranderen dat er agglutinatie, mitose of andere biochemische verande­ringen in de cel optreden. Inmiddels is duidelijk dat lectines ook reageren met andere cellen dan de rode bloedcellen, onder meer met lymfocyten en spermatozoën.

 

 

 

 

Absorptie van lectines

 

 

Over de aanwezigheid van lectines in voedsel bestaat geen wetenschappelijke onzekerheid. Het meest tot de verbeel­ding sprekende zijn het abrine uit de Abrus precatorius (één erwt kan dode­lijk zijn) en ricine uit de Castorboon (waarbij de consumptie van veel zaad letaal kan zijn). Ook van andere voe­dingsmiddelen is bekend dat ze lectines bevatten. De twijfel die bestaat over de al dan niet schadelijke invloed ervan spitst zich toe op de vraag of lectines wel of niet worden opgenomen via het maag-darmkanaal. De absorptie van lectines wordt wel eens gebagatelliseerd maar juist plantenlectines worden ge­makkelijk in de maag opgenomen omdat ze relatief klein en zuurresistent zijn. De volgende klinische voorbeelden mogen illustreren dat niet alles uit de voeding wordt verteerd en dat bestanddelen er­van wel degelijk aan het spijsverterings­proces ontsnappen en in de bloedbaan terecht kunnen komen: glutenoverge­voeligheid, favisme en Quincke's oe­deem. Lectines spelen een rol bij deze aandoeningen. Brostoff schrijft bijvoor­beeld in 1989 over coeliakie dat de actuele theorie breed geaccepteerd is dat één of meer lectines onderdeel uitmaken van gluten en dat die lectines zich binden aan koolhydraatmarkers aan de darm­wand. De daarop volgende afweerreactie is zo heftig dat de darmwand beschadigd raakt, waardoor de darmen niet meer goed kunnen functioneren. Overigens hebben lectines niet alleen een specifieke werking op het maag-darmkanaal of perifeer. Interessant in dit verband is ook de kennis dat lectines interfereren met cholecystokinine, waardoor de spijs­vertering per se negatief wordt beïnvloed.

 

 

Geneeskundige aspecten van lectines

Er is voldoende literatuur aanwezig om het verband tussen lectines uit het voed­sel en ziekte te ondersteunen. Vooral in het artikel van Freed'', 'Dietary lectins and disease', wordt glashelder aange­toond dat lectines een ziekmakend effect kunnen hebben. Ten overvloede zij ver­meld dat om een immunologisch effect te sorteren de concentratie slechts uiterst gering hoeft te zijn.

 

 

Lectines kunnen zitten in rauw gegeten voedsel. Er zijn lectines die door voed­selbereiding vernietigd worden en er zijn ook lectines die door verhitting juist ster­ker gaan werken. In het algemeen blijkt zo'n vijf procent van de aangeboden lectines uiteindelijk in het bloed opgeno­men te worden. Freed onderscheidt bo­vendien de orgaanspecificiteit van de verschillende lectines.

 

 

Verrassend genoeg blijken de weten­schappelijke inzichten die ontstaan door het onderzoek naar lectines ook bruikbaar in verband met preventie van bepaalde ziekten en zelfs voor therapie. Zo kan bijvoorbeeld de hechting van de Helico­bacter pylori worden verhinderd door Aloë Vera. Lectines kunnen dus een rol spelen bij zowel het ontstaan van ziekten bij de preventie als bij de therapie. De overige bestudeerde literatuur is een on­derstreping van het reeds vermelde.

 

 

 

 

Secretor en Non-Secretor
D’Adamo legt in het boek “Eat right 4 your type” het verband tussen de klassieke bloedgroepen en voeding. Met het boek “Live right 4 your type” gaat hij een stapje verder en diept hij dit verder uit met de secretor/non-secretor status.

Men kan secretor (Se) zijn of non-secretor (se). Dit is onafhankelijk van de bloedgroep. Een secretor brengt  zijn bloedgroep-antigenen in de lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking, zoals in speeksel, slijmwand van het darmkanaal, ademhalingswegen en sinussen. Een non-secretor daarentegen brengt zijn bloedgroepantigenen weinig of helemaal niet in deze lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking.

 

 


Vele stofwisselingskenmerken zoals koolhydraat-intolerantie en immuunaandoeningen zijn genetisch bepaald en verbonden met de secretor-status. Het weten van de secretor-status maakt het mogelijk dieetverfijningen aan te brengen, effectiever gebruik te maken van voedingssupplementen, zich bewuster te worden van en kennis te vergroten over die ziekten en stofwisselingsfuncties waar men gevoelig voor is gezien de secretor-status.

 

 


Voor- en nadelen: de secretor voorsprong

 

 

Elke bloedgroep heeft zijn karakteristieke sterke en zwakke eigenschappen. Dit blijkt echter niet op te gaan voor het secretor-gen. In het algemeen kan gezegd worden dat non-secretors een potentieel gezondheidsnadeel hebben. Secretors zijn op zeer basaal niveau in staat het  bloedgroepantigen in de lichaamsvloeistoffen tot uitdrukking te brengen, wat extra bescherming biedt tegen de omgeving die bevolkt wordt door micro-organismen en lectines. Non-secretors hebben deze bescherming niet.

 

 

De verhouding in de populatie van de VS tussen secretor en non-secretor is 20-80%.

 

 


Voorheen kon de secretor-status alleen bepaald worden door gebruik te maken van geavanceerde forensische technieken. Tegenwoordig is dit mogelijk met een eenvoudige speekseltest.

Genotype

 

 

Wat is een Genotype? 
We zijn zowel geïnteresseerd in onze genen als in hun reactie op de omgeving. Dat totaalpakket wordt een Genotype genoemd. Het Genotype is bepalend voor schijnbaar triviale details als de vorm van de tanden, de lengte van de benen en het patroon van vingerafdrukken. Belangrijker is dat het bepaalt welke voedingsmiddelen helpen af te vallen en vitaal te worden – en voor welke aandoeningen men het meest vatbaar is. D’Adamo heeft Genotypen geïdentificeerd: de Jager (Hunter), de Verzamelaar (Gatherer), de Leraar (Teacher), de Ontdekker (Explorer), de Krijger (Warrior) en de Nomade (Nomad). 

Genotype en bloedgroep: wat is het verschil? 
Volgens D’Adamo zijn Genotypen een verfijndere, meer complete en accurate manier om het menselijk lichaam te doorgronden dan bloedgroepen alleen. De bloedgroep wordt tenslotte bepaald door slechts één gen – één van de circa 30.000!
Ten eerste weerspiegelen Genotypen de activiteit van veel andere genen, niet alleen van het gen dat de bloedgroep bepaalt. De bloedgroep is een belangrijk aspect van je Genotype, maar niet het enige belangrijke. Ten tweede weerspiegelen Genotypen de interactie tussen de genen en de omgeving. Deze bredere basis van informatie maakt het mogelijk gedetailleerdere en flexibelere diëten op te stellen, die nog beter zijn afgestemd op persoonlijke biologie en temperament.

 

 

Connectie voeding - bloedgroepen
Er  is nu een aantal aspecten duidelijk geworden. De bloed­groepen zijn ontstaan onder invloed van veranderende uitwendige omstandighe­den die de zich evoluerende mens noop­ten zich aan te passen in de zin van voe­ding en gedrag. Deze aanpassing betrof ook de immunologische respons. Verder kan op grond van de bloedgroepverdeling iets gezegd worden over de prevalentie van ziekten. Ook is duidelijk dat  'de bloedgroep' een fenotypische weerspie­geling is van het genotype dat ook op andere manieren tot expressie kan komen en tot slot is evident dat lectines agglutinatie tot gevolg kunnen hebben, wat schadelijk is.

 

 

Nu is het moment om de koppeling tus­sen bloedgroep en voeding te leggen. Zo­als gezegd verschillen de bloedgroepen qua antigene structuur. Bloedgroep A heeft antigen-A en bloedgroep B antigen-B, bloedgroep 0 heeft geen van beide antigenen en bloedgroep AB heeft ze allebei. Het verschil tussen de bloedgroe­pen is slechts één aminosuiker groot: bloedgroep A heeft het aminosuiker N­acetylgalactosamine en B heeft D-galac­tosamine (AB heeft ze allebei). Dan zijn er de al eerder gememoreerde antistoffen: bloedgroep A heeft aangebo­ren anti-B, bloedgroep B heeft aangebo­ren anti-A, bloedgroep AB heeft geen antistoffen en bloedgroep 0 heeft anti-A en anti-B. Die antistoffen zijn niet gericht tegen de andere bloedgroep als zodanig, maar uitsluitend tegen de eerder ge­noemde aminosuikers.

 

 

Nu zijn er twee aspecten. Allereerst zijn er lectines die het gemunt hebben op aminosuikers die sterk gelijken op de aminosuikers die de bloedgroep bepalen. Hoewel die lectines dus eigenlijk niet zijn gericht op enigerlei humane struc­tuur, grijpen ze wel degelijk aan op de aminosuikers die de bloedgroep bepalen (kruisimmuniteit). Het effect is die van een antistofreactie: agglutinatie. Daarnaast is nog een andere immuun­respons mogelijk. Als voeding amino­suikers bevat die sterk lijken op het bloedgroepantigen van de andere bloed­groep, vindt eveneens een afweerreactie plaats. Melk heeft bijvoorbeeld eigen­schappen waardoor het lijkt op antigen-B. Als iemand met bloedgroep A melk drinkt zal zijn anti-B onmiddellijk tot een immunologische reactie leiden.

 

 

De immunologische respons op voe­dingsmiddelen is dus in twee opzichten bepaald door de bloedgroep: ener­zijds door de bloedgroep-antigenen, die doelwit zijn van specifieke lectines, an­derzijds door de bloedgroep-antistoffen, die een immuunreactie geven op specifieke aminosuikers in de voeding. Beide immunologische reacties hebben agglutinatie of an­dere celveranderingen tot gevolg.

 

 

De praktijk

 

 

Het bloedgroepdieet is gezien het bo­venstaande wetenschappelijk behoorlijk onderbouwd. Er zijn genoeg noties voor­handen om een verklaring te geven waarom een voedingsstrategie die op de bloedgroep is geënt succesvol kan zijn. In de praktijk is dat inmiddels vol­doende gebleken; er blijkt bij chronische aandoeningen een sterk 'disease modifying action' van uit te gaan.

 

 

De ge- en verboden van het dieet zijn deels geformuleerd vanuit de kennis over de agglutinerende effecten van lectines en over de bloedgroepspecifieke antistoffen. Binnen het dieet zijn ook niet-immunologische aspecten, zoals vatbaarheid voor schimmels, de per bloedgroep verschillende maagzuurpro­ductie en de bereidingswijze van de voe­ding, in de richtlijnen opgenomen. Opmerkelijk is dat de bevindingen in veel opzichten correleren met de empirie van twee generaties natuurartsen.

 

 

Vanuit alle noties tezamen is een bloedgroepspecifieke voedingsstrategie verwezenlijkt. Dit resulteert in tabellen met per bloedgroep en per voedingsmid­del een kwalificatie: 'Heilzaam', 'Neu­traal' of te 'Vermijden'. Een voedings­middel werkt heilzaam, als het bij die bloedgroep niet leidt tot agglutinatie, als het geen antistofreactie oproept tegen de andere bloedgroep, als het bescherming geeft tegen ziekten waarvan bekend is dat ze bij die bloedgroep vaak voorkomen, als het een enzym bevat wat bewezen positief reageert met het antigen van die bloedgroep en tot slot als het niet interfereert met het metabolisme.

 

 

Een voedingsmiddel kan beter worden gemeden als het een lectine of andere eigenschap heeft die slecht met de bloed­groep reageert, als de relatieve zuur-base verhouding niet adequaat is om het voe­dingsmiddel te metaboliseren en als er een grote kans is op de aanwezigheid van parasieten of schimmels.

 

 

Het aardige van deze strategie is dat het individueel is en dat andere strenge maat­regelen, zoals bij een candidawerend dieet, pas op de tweede plaats komen. Het aspect 'Heilzaam' is ook uniek. Pure geestelijke en lichamelijke verwennerij als je iets lekker vindt en het ook nog goed voor je is.

 

 

 

 

Gewichtsbeheersing

 

 

Bij een nieuw dieet wordt vaak de nadruk gelegd op het fantastische gewichts­reducerende resultaat ervan. Bij het bloedgroepdieet ligt het anders, gewichts­beheersing is zeker niet het primaire doel. Maar aangezien de bloedgroep ook de effectiviteit van het metabolisme bepaalt heeft het volgen van het bloedgroepdieet een normalisering van de stofwisseling tot gevolg. In de praktijk zien we dat de mensen uiterst enthousiast zijn over het gewichtsverlies indien ze adipeus zijn. Bij mensen met normaal gewicht treedt geen ongewenste gewichtsvermindering op.

 

 


Kritiek op het dieet

Er zijn ook kritische geluiden te beluiste­ren over het bloedgroepdieet. Het dieet zou niet wetenschappelijk onderbouwd zijn, het zou eenzijdig zijn en tot tekorten leiden en daarbij zou het zo bizar zijn dat het voor een 'normaal mens' niet te vol­gen is. Niets is minder waar. Over de wetenschap­pelijke onderbouwing kunnen we kort zijn: de theoretische pijlers, zowel de an­tropologische als de biologische en de ge­neeskundige, lijken boven twijfel verhe­ven. Het is waar dat het boek 'Eat right 4 your type' georiënteerd is op de Ameri­kaanse markt, die alleen al wat de produc­ten betreft afwijkt van de Nederlandse voedingsgewoonten. In 2000 is echter een 'praktische gids' uitgekomen die is ge­richt op de Nederlandse markt. Daaruit blijkt dat op eenvoudige wijze, binnen het normale voedingspatroon en met de aan­dacht en de zorg die volwaardige voeding vereist, een goed en smakelijk dieet is te volgen.

 

 

Over het risico van tekorten kan het vol­gende worden opgemerkt. Allereerst dat er voor elke bloedgroep een ruime keuze is aan producten die een 'evenwichtige' voeding mogelijk maken. Ten tweede blijkt uit alle onderzoek (bron: TNO-voe­ding') dat er geen enkele bevolkings­groep rondloopt die uit een zogenaamd 'evenwichtige voeding' voldoende vita­minen en mineralen haalt. Denk bijvoor­beeld aan de in minder dan twintig jaar tijd verdubbelde aanbevolen hoeveelheid calcium. Maar is het probleem osteoporose de wereld uit? Neem bijvoorbeeld foliumzuur: het is begonnen hij zwangeren en eindigt ermee dat ook oude mensen en jongeren het eigenlijk in suppletievorm toegediend zouden moeten krijgen. Uit de consensus antioxidanten blijkt dat 250 mg vita­mine C en 300 mg vitamine E uiterst gunstige preventieve waarde hebben voor hart- en vaatziekten en bepaalde carcinomen. De wereld van de ADH is in beweging, De tendens verandert. Het gaat niet lan­ger om de vraag hoeveel iemand nodig heeft om gebreksziekten te voorkomen; het accent komt meer en meer te liggen op de hoeveelheid die nodig is voor (het behoud van) een optimale gezondheid.

 

 

Op de vraag of suppletie gewenst is mag een ieder zijn eigen antwoord geven maar de tijd van 'evenwichtige voeding levert voldoende vitaminen' is nu wel voor­bij. Optimale gezondheid wordt verwor­ven door optimale voeding met een voor het individu optimale suppletie. Zelfs de voedingsindustrie heeft het belang van suppletie door; er worden extra vitami­nen toegevoegd aan voedingsmiddelen en er wordt volop onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van toevoegin­gen aan voeding waardoor die voeding medicinaal wordt. Badinerend kun je zeggen dat 'fortified milk', 'vijf porties groenten en fruit' of `dieetmargarine' ook al een, zij het verborgen, vorm van suppletie zijn.

 

 

 

 

Conclusie

 

 

Het bloedgroepdieet is een nieuwe en unieke benadering. Het houdt rekening met individuele verschillen op basis van de bloedgroep. De bloedgroep is, ook in immunologisch opzicht, een weerspiege­ling van de genetische code van de mens. Er is voldoende wetenschappelijk funda­ment voor de ratio achter het bloedgroep-dieet. Nadere bestudering van de litera­tuur, uit verschillende disciplines, leert dat met deze gegevens het concept best verklaard kan worden en dat het ook in de praktijk blijkt te werken.

 

 

Wat bijzonder opvalt is dat verschillende aspecten van lectines niet alleen van belang lijken te zijn bij prevalentie en preventie van ziekten. De wetenschap­pelijk inzichten die ontstaan door het onderzoek naar lectines lijken ook inge­zet te kunnen worden hij de therapie van ziekten waarvoor nog geen genezing is of die op zeer ingrijpende manier worden behandeld, zoals kanker. Als therapie bij kanker wordt tegenwoordig wel eens gebruik gemaakt van Viscum album, de ma­retak. De werking van dit preparaat berust op een lectine.

 

 

Vanuit deze invalshoeken lijkt nader on­derzoek dan ook gewenst en voor de hand liggend. Specifiek naar de relatie tussen voedingsmiddelen en de bloedgroepen (zowel in vitro als in vivo). Hier lijkt een intrigerende en belangrijke taak weggelegd voor disciplines als humane nutritie en humane toxicologie. Wellicht wordt dan ook meer duidelijk over de intoleranties en allergieën die we tegenwoordig zo veelvuldig zien.

 

 

 

 

Praktische beschouwingen

 

 

We onderscheiden nu drie aspecten van voedingsstrategieën: het “klassieke” bloedgroepdieet, de secretor/non-secretor status en de nieuwe variant genaamd Genotypedieet. In de praktijk voldoet het klassieke bloedgroepdieet als ondersteuning van de orthomoleculaire en biologische benadering van ziekte uitstekend. Daarmee komen andere moeilijk “te verteren” diëten in de schaduw te staan. Inmiddels blijkt uit de meer dan tienjarige ervaring in onze praktijk dat het bloedgroepdieet niet meer is weg te denken.

 

 

 

 

20% Van de populatie blijkt non-secretors te zijn met de al genoemde gevolgen daarvan. Ook voor hen is het klassieke bloedgroepdieet, maar dan wat strenger toegepast, uitermate geschikt. In de klinische praktijk is er geen verschil in benadering.

 

 

 

 

Dat D’Adamo verder is gegaan en gekomen tot het Genotype verhaal is wetenschappelijk interessant. Hij gebruikt meer genen dan degene die de bloedgroepen bepalen om het fenotype te verklaren. Bij de bepaling van het Genotype gebruikt hij familiekenmerken, de bloedgroep en een aantal antropologische en forensische parameters. Dit stelt hem in staat zes typen te onderscheiden met de belofte dat men nu de ‘genetic destiny’ kan beïnvloeden. In de klinische praktijk heeft het mijns inziens op dit moment weinig meerwaarde, maakt het gecompliceerder dan nodig is en zal leiden tot een verminderde patient compliance.

 

 

 

 

De ervaring leert dat het klassieke bloedgroepdieet meer dan voldoende is als voedingsstrategie binnen de biologische therapie om het gewenste resultaat te bereiken.

12 september 2008

 

 

 



Aanraders





Gezond worden en blijven

Het bloedgroepdieet is nog steeds actueel en heeft zijn waarde inmiddels ruimschoots bewezen. Het is een menukaart voor jouw bloedgroep.

PDF Reader
Om de PDF documenten te kunnen lezen heeft u Adobe Acrobat Reader nodig. Deze kunt u hier gratis downloaden.